Het getouwtrek om Oekraïne en de Krim en de vrees voor een verdere groeivertraging in China hebben de groeilandencrisis weer wat meer op de voorgrond gezet. Wij blijven bij onze stelling dat de verschillen tussen de huidige toestand en de crisis van de opkomende landen in 1997-1998 te groot zijn om onmiddellijk te vrezen voor een nieuw rampscenario. Een aantal cijfers zouden beleggers moeten geruststellen.
...

Het getouwtrek om Oekraïne en de Krim en de vrees voor een verdere groeivertraging in China hebben de groeilandencrisis weer wat meer op de voorgrond gezet. Wij blijven bij onze stelling dat de verschillen tussen de huidige toestand en de crisis van de opkomende landen in 1997-1998 te groot zijn om onmiddellijk te vrezen voor een nieuw rampscenario. Een aantal cijfers zouden beleggers moeten geruststellen.Om te beginnen is er de vaststelling dat het gewicht van de opkomende landen in de wereldeconomie in de periode 1997-2014 ruim is verdubbeld, tot 39%. Die sterke groei heeft hen toegelaten hun schulden af te bouwen en buitenlandse reserves op te bouwen. Het grote verschil met ruim vijftien jaar geleden is dat heel wat - vooral Aziatische - landen enorme dijken tegen een mogelijke crisis hebben opgebouwd.De totale buitenlandse schuld van de groeilanden zich vandaag met 26% van het bruto binnenlands product (bbp) dicht bij een dertigjarig dieptepunt. Daarnaast zijn er landen die hun buitenlandse reserves hebben vertienvoudigd sinds 1997. Nergens in Azië ligt de verhouding tussen de buitenlandse reserves en het bbp lager dan toen. De slechtste leerlingen zijn Indonesië (van 8,1 naar 10,9%) en India (van 7 naar 15,1%). Zuid-Korea sprong van 3,8 naar 30,4%, Thailand, waar de crisis in 1997 in Azië het sterkst toesloeg, is gestegen van 17,8 naar 47,1%, terwijl de buitenlandse schuldgraad er een duik maakte van 66 naar 36%. China zag zijn buitenlandse reserves klimmen van 15,4 naar 44,6% van het bbp.Fragiele vijfDe crisis spitst zich vooral toe op wat men de 'fragiele vijf' is gaan noemen: Brazilië, India, Indonesië, Turkije en Zuid-Afrika. Die landen werden de voorbije maanden geconfronteerd met een scherpe daling van hun munt, een forse stijging van de rente en dalende aandelenmarkten. Het is onmiskenbaar dat die landen een tekort op de handelsbalans en een opgelopen inflatie hebben. Dat tekort is er vaak al jaren. Het is geen acuut probleem, zolang buitenlands kapitaal die landen blijft instromen.Maar in de loop van vorig jaar is dat gaan keren door de start van de tapering in de Verenigde Staten en de verminderde groeivooruitzichten voor de groeilanden. Dat werd vooral pijnlijk, omdat de schulden van de privésector de jongste jaren wel flink zijn opgelopen. In plaats van te spreken over een wereldwijde groeilandencrisis is het veel correcter te stellen dat enkele landen problemen hebben, die door de zware muntdevaluaties al een begin van oplossing hebben gekregen. Bekijk deze crisis vanuit een perspectief van twee à vijf jaar, en zie het als een crisis met kansen. De hoogste waarderingen bevinden zich vandaag op Wall Street. Europa is wat minder duur, maar verre van goedkoop meer. De laagste waarderingen zijn te vinden in de opkomende landen, van Argentinië tot Rusland, en van Turkije tot China.