In weinig sectoren is het contrast tussen de korte en de lange termijn groter dan in de landbouwsector. Voor de lange termijn is de aanhoudende stijging van de wereldbevolking bepalend. De meeste demografen gaan ervan uit dat de wereldbevolking tegen 2050 stijgt tot 9 miljard, tegenover 7 miljard vandaag. Die 2 miljard extra monden en de veranderende eetgewoonten in de groeilanden dwingen de landbouwsector om zijn productie te verhogen met 60 à 70% tegen 2050. Dat betekent een extra productie van 1 miljard ton graan en 200 miljoen ton vlees, in vergelijking met het gemiddelde niv...

In weinig sectoren is het contrast tussen de korte en de lange termijn groter dan in de landbouwsector. Voor de lange termijn is de aanhoudende stijging van de wereldbevolking bepalend. De meeste demografen gaan ervan uit dat de wereldbevolking tegen 2050 stijgt tot 9 miljard, tegenover 7 miljard vandaag. Die 2 miljard extra monden en de veranderende eetgewoonten in de groeilanden dwingen de landbouwsector om zijn productie te verhogen met 60 à 70% tegen 2050. Dat betekent een extra productie van 1 miljard ton graan en 200 miljoen ton vlees, in vergelijking met het gemiddelde niveau in de periode 2005-2010. In 2020 moet een hectare landbouwgrond vijf mensen voeden, tegenover nog twee in 1960.De andere demografische megatrend is de oprukkende verstedelijking. Elk jaar komen er wereldwijd 65 miljoen stedelingen bij. In 1800 woonde amper 3% van de wereldbevolking in de stad. Tegen 2030 zouden al 5 miljard mensen in de stad wonen (60% van de wereldbevolking), tegen 2050 stijgt dat aantal tot 6,3 miljard (70% van de wereldbevolking). Dat betekent dat er megasteden ontstaan, met mega-uitdagingen voor de voedselvoorziening. De stijgende inkomens en verstedelijking leiden tot een verhoogde vleesconsumptie, en dus tot de noodzaak om meer graan te produceren. De productiviteit in de landbouw moet nog verder omhoog.Forse schommelingenBeleggen in de landbouwsector lijkt dan ook een no-brainer. En toch moeten we daarmee heel erg opletten. Want de landbouwprijzen zijn extreem volatiel, omdat ze in de eerste plaats worden bepaald door het slagen van de oogsten en door het effect daarvan op de voorraden. De meeste impact op de landbouwsector hebben de graanprijzen. In een jaar tijd halveerde de maisprijs van 800 naar 400 dollarcent per bushel. Tarwe zakte iets minder fors: van 900 naar 550 dollarcent. Maar ook andere soft commodities ondergaan stevige prijsschommelingen. Zo bereikte de koffieprijs nog een piek van 300 dollarcent per pound in 2011, maar staan we nu op 115 dollarcent. Fruitsap ging 35% lager in twee jaar tijd, van 220 naar 140 dollarcent per pound. Dat heeft ingrijpende gevolgen voor de inkomens van de landbouwers. Die schroeven in slechte tijden hun uitgaven voor meststoffen, landbouwwerktuigen, zaden en gewasbeschermingsmiddelen tijdelijk terug. Dat veroorzaakt op korte termijn een neerwaartse druk op de verkopen en op de winsten van de landbouwspelers, en dus op de koersen van de beursgenoteerde bedrijven die actief zijn in die sector.Vandaag staat het overgrote deel van de landbouwprijzen op een meerjarig dieptepunt. Vandaar dat we met het landbouwthema aan de bovenkant van de vork (10 à 20% gewicht) zitten. Ook de suikerprijs zakte sinds 2011 van 35 naar 15 dollarcent per pound (zie ook 'Derivaten' p. 8). Dat deed de koers van de grootste Europese suikerproducent Suedzucker haast halveren van 34 naar 19 EUR. Daarom focussen we op die waarde in de rubriek 'Flash' (zie p. 7).