Tussen het najaar van 2014 en begin 2016 maakte de olieprijs een duik van 115 naar 28 dollar per barrel (vaten van 159,24 liter) Brent-Noordzee-olie. De oliecrisis 2014-2016 was vooral een door aanbod gedreven crisis, die te maken had met de opkomst van oliewinning in de diepzee en via teerzanden, maar vooral met de spectaculaire groei van schalie-olie in de Verenigde Staten.
...

Tussen het najaar van 2014 en begin 2016 maakte de olieprijs een duik van 115 naar 28 dollar per barrel (vaten van 159,24 liter) Brent-Noordzee-olie. De oliecrisis 2014-2016 was vooral een door aanbod gedreven crisis, die te maken had met de opkomst van oliewinning in de diepzee en via teerzanden, maar vooral met de spectaculaire groei van schalie-olie in de Verenigde Staten.Dat bracht Saudi-Arabië ertoe van tactiek te veranderen. De streng islamitische woestijnstaat is in de OPEC (organisatie van de olie-exporterende landen) een sleutelland door zijn gigantische reserves en had de gewoonte bij een overaanbod zijn eigen productie terug te schroeven. Maar dit keer bleven de Saudi's vrolijk olie oppompen, met als doel de opmars van onder meer schalie-olie een halt toe te roepen. Bovendien mocht aartsrivaal Iran weer meer olie exporteren naar het Westen na een akkoord over zijn nucleaire programma en de Saudi's waren niet van plan hun rivaal een cadeau doen met een hoge olieprijs. Terug naar 100 dollar?Op 30 november 2016 beslisten de leden van de OPECvoor het eerst in decennia de dagelijkse productie met 1,2 miljoen vaten te verminderen. Ook elf niet-OPEC leden, waaronder Rusland, beloofden hun productie met ruim 500.000 vaten te laten zakken. Het werd een 'historisch' akkoord, want het bevestigde de ommekeer in de olieprijs. Van 45 dollar voor een vat Brent-olie zijn we bijna 2 jaar later geëvolueerd naar prijzen van bijna 85 dollar. Traders en specialisten spreken voor het eerst in vele jaren weer over prijzen van 100 dollar per vat.De productiebeperking is intussen weliswaar afgezwakt, maar dat is volgens waarnemers onvoldoende om de nakende val in de olie-export van Iran op te vangen. De Verenigde Staten starten vanaf november een olieboycot. Bondgenoten die nog vlot handel willen drijven met de belangrijkste economie ter wereld, zien zich gedwongen hetzelfde doen. In september verkocht Iran nog 1,72 miljoen barrels per dag of gemiddeld 260.000 per dag minder dan in augustus (-13%). Irak produceerde de afgelopen maanden flink wat extra vaten, maar heeft lang niet de capaciteit om het verlies van Iran op te vangen. Saudi-Arabië en Rusland hebben die capaciteit wel, maar kijken de kat uit de boom. De oliegigant uit het Midden-Oosten wil de staatsoliemaatschappij Aramcoin de best mogelijke omstandigheden naar de beurs brengen. Rusland kan ook wel een hoge olieprijs gebruiken, om zijn economie te verstevigen. Heel wat koopargumentenHeel opmerkelijk is wel de vaststelling dat de olie-aandelen de klim van de olieprijs niet hebben kunnen volgen, en al zeker niet sinds de zomer van 2017. Dat geldt voor de klassieke oliegiganten, maar nog veel meer voor de oliedienstenbedrijven. Dat is dan ook het eerste van vijf argumenten om te beleggen in olieaandelen.1. Oliewaarden blijven achter op herstel olieprijs. Het is zelden gezien, maar het de olieaandelen hebben forse herstel van de olieprijs maar in beperkte mate gevolgd. Dat kunnen bijvoorbeeld afleiden uit de relatieve prestatie van de Stoxx 600 Oil & Gas-indexaf te zetten tegenover de olieprijsstijging in euro. Sinds begin van het jaar is de sectorindex 14 procent achtergebleven op de klim in de olieprijs. Op jaarbasis is het verschil zelfs 16 procent. Eigenlijk zouden de oliewaarden het beter moeten doen, want er is toch sprake van een hefboomeffect op de winsten van de oliespelers. Nog schrijnender wordt het verhaal als we de prestatie van de oliedienstenbedrijven afzetten tegen de toename van de olieprijs. De meest gevolgde tracker op aandelen uit de oliedienstensector, de VanEck Vectors Oil Services (zie tabel), presteerde de afgelopen twaalf maanden 45 procent minder goed dan de Brent-olie. Sinds begin 2018 is sprake van een 28 procent lagere stijging (0 versus 28%). Als we twee jaar teruggaan, is het verschil zelfs 76 procent (-13 versus 63%). Eigenlijk doet de markt alsof de olieprijs nog altijd rond 60 dollar noteert.2. Kostefficiëntie van oliebedrijven blijft verbeteren. De inspanningen op het gebied van kostenbesparingen, desinvesteringen, terugkeren naar de kernactiviteiten enzovoort hebben de vrije kasstromen bij de oliespelers dusdanig verhoogd dat een Brent-prijs van 52 dollar volstaat om met die vrije kasstromen de huidige dividenden te kunnen betalen. Een jaar geleden was daarvoor nog een olieprijs van 59 dollar nodig.3. Globale expansie van investeringsbudgetten in alle segmenten verwacht in 2020. Voorgaande groei in kasstromen maakt de kans bijzonder groot dat we een wereldwijde klim in investeringen in alle domeinen van de olie-industrie (offshore, onshore,...) in 2020 zullen vaststellen, en dat voor het eerst sinds 2013. Beleggers zullen daarop in 2019 beginnen te anticiperen.4. Dividendrendementen op hoog peil. In een lagerente-omgeving hebben oliewaarden sinds jaar en dag nochtans nog een belangrijke troef: hun hoge dividendrendement. Dat dividendrendement ligt nu 1,1 procent hoger dan het beursgemiddelde. Met dank vooral aan de oliemajors. 5. Energiesector scoort traditioneel goed aan het einde van de cyclus. De energiewaarden blonken zowel in de periode 1998-2000 als in 2006-2008 uit ten opzichte van het marktgemiddelde. Dus is het aan het einde van de beurscyclus vaak (erg) rendabel in energie-aandelen belegd te zijn. 6. Waardering van oliebedrijven gaan uit van een olieprijs tussen 60 en 65 dollar. We hebben helemaal geen hogere olieprijs nodig om een stijging van de oliewaarden in het vooruitzicht te stellen. Zelfs als de olieprijs de komende zes tot twaalf maanden stabiliseert of terugvalt tot 70 dollar, is een hogere koers van de olie-aandelen gerechtvaardigd, want de huidige waardering gaat er nog altijd van uit dat de olieprijs tussen 60 en 65 dollar schommelt.Kansen voor 2019-2020We denken dat we voldoende argumenten hebben aangereikt om te geloven in de herstelkansen van oliegerelateerde beleggingen in de loop van de volgende maanden en jaren. Het aanbod in oliewaarden is vrij uitgebreid. Een klassieke manier zijn de oliereuzen als Royal Dutch Shell en Total, waar we mede door het hoge dividendrendement nog steeds in geïnteresseerd zijn. Het grootste potentieel zit echter in de nog zwaarder achtergebleven aandelen uit de oliediensten. Met Schlumberger en TechnipFMC als (defensieve) favorieten. Daarom zitten ze in de voorbeeldportefeuille. Wie liever geen individuele aandelen koopt, heeft wel een probleem. De trackers op oliediensten, zoals VanEck Vectors Oil Services,zijn allemaal in de VS gebaseerd en kunnen in België niet meer worden gekocht door de PRiiP-reglementering (zie ook kaderstuk en tabel).Individuele favorietenVoor aandelenbeleggers zien we vooral mogelijkheden in de oliedienstenaandelen. Wie echter slechts een beperkt deel van zijn aandelenportefeuille in de oliedienstensector wil investeren, kan niet langer terecht bij de tracker VanEck Vectors Oil Services (ticker OIH; ISIN-code US92189F7188) wegens de PRiiP-reglementering. Indien u de tracker eerder al hebt gekocht, dan kunt u de posities wel aanhouden.Zoals uit bijbehorende tabel mag blijken, bevat de top vijf drie bedrijven waar we ook voorstander van zijn (Schlumberger, Transocean en TechnipFMC). Vooral de vaststelling dat de grootste beursgenoteerde oliedienstenspeler ter wereld, Schlumberger, op een vijfjarig dieptepunt noteert en op de helft van de piekkoers uit 2014, is wel zeer opmerkelijk. Feit is wel dat midden vorig jaar voor 2018 nog een winst in de buurt van 3 dollar per aandeel werd verwacht, terwijl dat intussen tot 1,75 dollar is teruggevallen. Het winstherstel is er, maar valt tegen in omvang en breedte. We komen in het volgende nummer uitgebreid terug op het aandeel naar aanleiding van de cijfers van het derde kwartaal. Bron: Bloomberg